De Maanjongen
mei 18, 16:58

Er was eens een jongen en die ging naar de maan. Hij vond het op de aarde niet leuk. Het was er heel druk. Op de aarde wonen namelijk heel veel mensen. En de jongen vond dat het stonk op aarde. Het stonk naar auto’s. En hij had ruzie met zijn zus. Dus hij wou niet meer op de aarde wonen.

Hij ging in een raket naar de maan. Hij had helemaal zelf de raket gebouwd. Van hout en ijzer. Toen had hij hem blauw geverfd. Nu had hij zijn eigen raket. Hij was daar heel trots op.

De reis naar de maan was heel spannend. De reis duurde lang. De maan is namelijk heel ver weg.
Op de maan was het heel rustig. Er waren geen auto’s. En geen zussen. Hij liep over de maan. Hij zag de aarde en dacht: ‘Ha, moet je kijken hoe druk het daar is. En ik heb de maan. Helemaal voor mezelf alleen!’
Maar dat was niet zo. Want op de maan woont al iemand. Op de maan woont de maanjongen. Die woont daar al heel lang. De maanjongen ging naar de jongen van de aarde toe en vroeg: ‘Wat doe jij hier? Dit is mijn maan!’
“Ik kom van de aarde.’ zei de jongen. ‘En daar is het heel druk. Nu wil ik op de maan wonen. Mag dat?’
‘Nee.’ zei de maanjongen boos. ‘De maan is van mij!’
‘Maar de maan is heel groot!’ zei de jongen. ‘Kan ik er niet bij komen wonen? We kunnen hier toch wel allebei wonen?’
‘Nee.’ zei de maanjongen boos. ‘Ik wil alleen zijn. Ga weg!’
De jongen van de aarde schrok. De maanjongen was heel boos geworden. Hij werd helemaal rood!
De jongen van de aarde was bang voor de maanjongen. Hij rende snel naar zijn raket. Hij vloog zo snel als hij kon in zijn blauwe raket van de maan.

Toen hij in de ruimte was, dacht hij: ‘Waar moet ik dan nu heen? Ik vind de aarde te druk. Maar op de maan mag ik niet wonen. Dat zegt de maanjongen. Waar moet ik nu heen?’
De ruimte is heel groot. Er zijn heel veel sterren. En het is er heel donker. De jongen keek om zich heen. Hij dacht na over waar hij wilde wonen.
En toen bedacht de jongen: ‘Ik ga naar de zon! Daar woont vast niemand!’

Hij vloog naar de zon. De reis duurde heel erg lang. Want de zon is veel verder weg dan de maan.
Op de zon is het heel warm. Er woont helemaal niemand. Er bestaat namelijk geen zonjongen of zonmeisje.
Op de zon was hij helemaal alleen.
Maar op de zon is het niet leuk. Je kan nergens zitten. Want dan verbranden je billen! En je moet de hele dag je zonnebril op.
Hij kon ook niet zo goed slapen. Want op de zon wordt het nooit donker. En het was er heel warm.
Hij wilde weer weg. Hij vond de zon niet leuk.
Maar waar moest hij dan heen?
Hij wist het niet zo goed. Hij wilde weer weg van de zon. Hij liep naar zijn raket Maar toen hij bij de raket kwam, schrok hij. Zijn raket was gesmolten! De zon was te warm voor zijn raket! Nu zat hij vast op de zon…
Hij werd bang. Misschien kwam hij nooit meer weg van de zon! Hij wilde niet meer op de zon zijn. Hij werd verdrietig. Hij moest huilen.
Toen zag hij een andere raket. Deze raket was groen geverfd. In deze raket zat zijn zus. Misschien kwam zijn zus hem redden!
Zijn zus landde ook op de zon. Ze zei: ‘Ik wil geen ruzie meer maken.’
‘Ik ook niet.’ zei de jongen.
‘Sorry.’ zei zijn zus.
‘Ja. Sorry.’ zei de jongen.
‘Zullen we hier weer weg gaan?’ vroeg zijn zus.
‘Ja. Laten we snel weg gaan. Want anders smelt jouw raket ook.’ vertelde de jongen.
‘Oké’. zei zijn zus.
Maar toen bedacht de jongen iets. Hij vroeg: ‘Waar gaan we dan heen?’
‘Ik weet wel wat.’ zei zijn zus. ‘Ik ging jou zoeken. Want ik wilde geen ruzie meer maken. En toen kwam ik op de maan. En daar zat de maanjongen. En hij keek heel verdrietig. Hij zei dat hij jou miste. Hij wilde dat je weer terug kwam. Want de maanjongen was helemaal alleen.’
‘Laten we dan naar de maan gaan.’ zei de jongen.
Samen klommen ze in de raket. Zijn zus vloog. Ze kon heel goed vliegen en de jongen vond het erg gezellig met zijn zus.
Ze vlogen weer terug naar de maan.

Toen ze op de maan waren, zagen ze de maanjongen.
Hij kwam naar hun toe rennen. Hij zei: ‘Ik ben blij dat jullie er weer zijn! Want ik vind het hier veel te rustig! Ik wil dat jullie hier ook komen wonen! Want anders is het hier saai!’
En dus gingen de jongen en zijn zus ook op de maan wonen. Ze maakten geen ruzie meer. En samen met de maanjongen keken ze naar de aarde.
En dan zeiden ze: ‘Kijk hoe druk het daar is.’
‘Hier is het veel leuker.’
‘Maar gelukkig niet saai.’
En dan moesten ze alle drie lachen.

— GerJan van de Kamp

---

Reageren gesloten voor dit artikel