Het Meisje Dat Op Reis Ging
mei 18, 16:51

Er was eens een meisje.
En er was een hele grote wereld.
Het meisje wilde de wereld leren kennen.
Daarom gingen het meisje en de wereld elkaar ontmoeten.

Het meisje moest daar een heel eind voor reizen. De wereld bleef op dezelfde plek.
Het meisje zou lang wegblijven. De wereld is heel groot. Het duurt lang voordat je die helemaal kent.
Het meisje wilde gaan vliegen. Maar ze was daar nog niet zo goed in. Daarom ging ze met een grote grijze vliegmachine.
Het meisje nam een grote blauwe koffer mee. Deze koffer propte ze helemaal vol. Ze wilde heel veel meenemen.
Ze had lang nagedacht over wat ze in de koffer zou doen. Uiteindelijk had ze de volgende dingen er in gedaan:

- Ze deed er veel moed in. Ze had dat wel nodig, want het was heel stoer dat ze zover ging reizen.

- Ze stopte een beetje durf in de koffer. Want het was ook wel een beetje eng om weg te gaan.

- Ze propte er ook heel veel plezier bij. Ze hoopte dat het leuk zou zijn om de wereld te leren kennen.

- Ergens achterin had ze ook een klein beetje verdriet gedaan. Want ze vond het niet leuk om zo lang van huis te zijn. Thuis zijn allemaal mensen die haar lief vinden. Die mensen ziet ze nu lang niet.

- Ze had ook veel succes bij zich. Dat hadden alle mensen die haar lief vinden haar gewenst.

- Ze nam zichzelf ook mee. Dat leek haar wel slim.

- En haar tandenborstel.

Dit nam ze allemaal mee. Ze wist niet wat ze nodig zou hebben. Ze kende de grote wereld nog niet zo goed. Ze hoopte dat ze genoeg in de koffer had gedaan.
Ze sleepte de grote blauwe koffer naar de grijze vliegmachine.
Het was heel druk bij de grijze vliegmachine. Alle mensen die haar lief vinden waren gekomen om haar uit te zwaaien.
Het meisje zwaaide terug.
Ze was een beetje zenuwachtig.
Dat is niet zo raar, want het zou een hele spannende reis worden.

- – -

Zelf weet ze het nog niet.
Maar ik als de verteller weet het al wel.
Het komt allemaal goed. Ze leeft zelfs lang en gelukkig.
Ik ga haar dat nog niet vertellen. Dat zou ze niet geloven. Daarvoor moet ze eerst weer terugkomen van de lange reis.
En als ze dan terug komt, vraag ik haar: Hoe was het?
En dan zal ze zeggen: Het kwam allemaal goed.
En ik zal vragen: Heb je de wereld leren kennen?
En zij zal zeggen: Een beetje.
En we zullen elkaar glimlachend aankijken.

— GerJan van de Kamp

---

Reageren gesloten voor dit artikel