De Dikke Jongen
apr 30, 01:05

Er was eens een heel dikke, vieze en lelijke jongen. Echt waar. Hij was zo dik, dat hij geen kleren meer paste. Zijn moeder had een tent gekocht, want anders liep hij in zijn blootje rond.

Hij was zo vies, dat iedereen flauw viel als hij langs liep. Zo erg stonk hij. En hij was zo lelijk, dat de spiegel ervan geknapt was. Zo dik en zo vies en zo lelijk was hij.
En misschien denk je nu: ‘Ach, dat valt vast wel mee. Zo erg kan het toch niet zijn?’ Maar dat heb je dan verkeerd. Want het was echt zo.
Hij was zo dik, dat hij zelf niet wist hoe hij eruit zag. Hij kon alleen maar zijn dikke buik zien. En omdat alle spiegels al kapot waren gegaan, moest hij aan zijn moeder vragen wat voor kleur zijn schoenen waren.
Echt waar, lelijker, dikker en viezer kon niemand zijn.
En dat vond hij zelf ook. Hij vond zelf ook dat hij de dikste, lelijkste en vieste jongen was. Hij vond dat hij moddervet was. En oerlelijk. En hij vond dat hij stonk als een vuilnisbelt. Maar hij vond dat niet erg.
Soms zeiden mensen wel eens tegen hem: ‘Je moet dunner worden. Je moet afvallen, want je bent zo dik.’
En die mensen zeiden dan: ‘Je moet minder eten en gaan sporten.’
Maar hij vond eten lekker en sporten stom. Dus hij ging niet afvallen. Dat wilde hij ook niet. Hij vond het grappig als al zijn onderkinnen en zijn dikke buik gingen schudden. Hij moest daar altijd heel hard om lachen.
Het grappigste was het als hij ging hard lopen. Soms duurde het wel een half uur totdat zijn buik was gestopt met nawiebelen! Zijn vrienden moesten daar ook altijd om lachen.
De dokter zei wel eens: ‘Kijk uit, jongen, want dik-zijn is slecht voor je gezondheid!’
Maar de dikke jongen was nooit ziek. Hij at heel gezond (maar wel heel veel!) De dokter begreep het ook niet. Misschien was het voor deze jongen wel niet ongezond als hij dik was. Hij zag er altijd blij uit.
Zijn vrienden vonden het helemaal niet erg dat hij zo dik en zo vies en zo lelijk was. Nou ja, soms moesten ze wel een wasknijper op hun neus doen om niet flauw te vallen van de stank. Maar dat vonden ze niet erg.
Soms zeiden mensen op de televisie wel eens dat lelijke mensen hun gezicht moesten laten veranderen. Op de televisie lieten ze dan zien dat je je neus kon recht zetten. Of je kon je tanden kleiner laten maken. Of je vet laten wegzuigen met een grote slang. Maar ook dat wou de dikke jongen niet.
Dat hij zo lelijk was, vond hij ook wel grappig. Soms spatte één van zijn dikke puisten. Dan zat de hele tafel onder het pus. En dan ging hij kijken of hij er figuurtjes in kon zien. Net als dat soms kan in de wolken. Hij zag dan dat zijn pus leek op een schaap. Of een klein hondje. Als mensen dat zagen, zeiden ze allemaal: ‘Doe toch niet zo vies!’
Maar hij ruimde het altijd weer gewoon op met een doekje.
Dus hij vond het zelf helemaal niet erg dat hij dik en vies en lelijk was. Hij wist het wel, maar het was niet erg. Hij was erg blij. En moest altijd lachen om zijn blubberende buik. En hij had heel aardige vrienden.

Nee, het was eerder dat zijn vrienden een beetje jaloers waren op hèm. En misschien denk je nu: ‘Dat is raar! Je kunt toch niet jaloers zijn op zo’n lelijk, dik en vies iemand?’
Maar dan vergis je je. Zijn vrienden wilden ook een blubberbuik. Ze wilden ook spelen met hun eigen pukkelpus. Het gebeurde hun nooit dat de spiegel knapte. En het leek alsof de dikke jongen veel blijer was dan zijn vrienden.
Zijn vrienden hadden alleen veel plezier als ze bij de dikke jongen waren. Als ze alleen waren hadden ze geen drillende onderkinnen om mee te spelen. Of rare pukkels om aan te pulken. Als zij langs liepen, viel er nooit iemand flauw.
De grote mensen zeiden altijd: ‘Dikke jongen, jij moet afvallen.’
Zijn dunne vrienden vroeg hem: ‘Hoe kunnen wij zo dik en vies en lelijk worden als jij? Wij willen dat ook!’

En daarom gingen ze met zijn allen op zoek naar een manier om heel dik en heel vies en heel lelijk te worden. De dikke jongen was zo geboren. Hij wist niet goed hoe je zo moest wórden; hij was altijd al zo geweest.
Ze dachten heel diep na. Maar ze kwamen er niet op.
Ze gingen in boeken zoeken. Maar daarin staat alleen hoe je dun en mooi en schoon moet worden.
Ze wisten het niet.
Toen moest de jongen ineens ergens aan denken. Hij was een keer op vakantie geweest in een heel mooi land. En toen was er een oud mannetje geweest die iets raars tegen hem had gezegd. Hij zei: ‘Jeetje, wat ben jij vet en smerig. Heb je stiekem een kikker gekust?’
De dikke jongen begreep er niets van. Natuurlijk had hij nog nooit een kikker gekust, dat is vies. Hij wilde de oude man vragen wat hij bedoelde. Maar de oude man had zijn neus dichtgeknepen en was weggelopen.
En nu de dikke jongen samen met zijn vrienden nadacht over hoe je dik en lelijk moest worden, dacht hij aan wat die oude man zei.
Hij vertelde zijn vrienden wat er was gebeurd. Die vonden het maar een rare oude man. Wat een rare vraag was dat! Alsof je voor je lol een kikker ging kussen.
Maar één van de vrienden zij toen iets slims. Hij zei dat hij wel eens had gehoord over een mooi meisje dat een kikker had gekust. En toen was die kikker in een prins veranderd.
De andere vrienden kenden dat verhaal ook wel. De kikker was in een mooie prins veranderd. En toen was het mooie meisje heel blij met de mooie prins. Toen leefden ze nog lang en gelukkig.
Ze dachten heel diep na over dit verhaal. Als een mooi meisje een lelijke kikker kust, wordt de kikker een mooie prins.
Maar als een jongen een kikker kust, wordt hij vet en lelijk. Dat had de oude man gezegd.
Dus misschien kon je wel lelijk worden van het kussen van een kikker. Misschien moest je een meisje zijn om een kikker te kunnen omtoveren in een mooie prins. Ze wisten dat niet zeker, want geen van de vrienden was een meisje.
Een kikker was heel lelijk. En heel vies ook. Dus misschien werkte het.
Maar ja, een kikker kussen is niet leuk. Kikkers zijn heel moeilijk te vangen. En ze zijn heel glibberig. En als je er dan eentje hebt gevangen, is kussen wel het laatste wat je wilt. Dat is vast heel vies.
Maar de vrienden van de dikke jongen wilden heel graag ook dik en lelijk worden. Dus ze zouden het gaan proberen. Dan maar een vieze kikker kussen.
Maar er was nog een probleem. De dikke jongen en zijn vrienden woonden in de grote stad. En in de grote stad zijn niet veel kikkers. Kikkers leven in sloten of bij kastelen. Maar niet op straat of in de tuin.

Toen het zomer was gingen ze op kamp. Dat deden ze elk jaar. Dan gingen ze in een tent slapen in het bos. Vlakbij een meertje. En bij een meertje zijn kikkers. Dus gingen ze op zoek naar een hele dikke, vieze, lelijke kikker. Dat was niet zo moeilijk. Bijna alle kikkers zijn vies en lelijk.
Na een tijdje zoeken, vonden ze de dikste kikker. Deze was zo dik, dat hij niet eens meer kon weg springen. Hij zat daar maar op een grasveldje vlakbij het water. Hij deed helemaal niets. Hij zat een alleen maar een beetje te zonnen.
De dikke jongen en zijn vrienden gingen in een kring om de kikker heen zitten. Om de beurt kusten ze de dikke kikker. Deze deed niets. Het leek wel alsof de kikker het helemaal niet merkte dat hij werd gekust!
Eerst gebeurde er niets. Ze zaten maar een beetje te zitten. Ze keken naar de dikke kikker. Maar die deed ook niks. De dikke jongen en zijn vrienden dachten dat je de kikker misschien heel vaak moest kussen.
Maar net toen ze weer opnieuw wilden beginnen met kussen, begon het. Ze kregen allemaal hele dikke handen. En een dikke nek. En pukkels op hun armen en hun gezicht. En alle vogels vielen uit de bomen, want ze begonnen heel erg te stinken. Hun buiken werden zo dik dat hun kleren kapot scheurden. Gelukkig hadden ze allemaal hun tent bij zich. Die trokken ze aan.
Nu waren ze allemaal even dik en lelijk en vies als de dikke jongen. Ze moesten daar heel hard om lachen. En hun buiken begonnen te schudden. En hun onderkinnen gingen wiebelen.
Ze knepen allemaal een dikke pukkel uit. Nu hadden ze samen hele grote plas met pus gemaakt. De plas met pus leek net op een kudde schapen. Ze hadden heel veel lol.

Toen ze weer thuis kwamen, schrokken hun ouders heel erg. Ze zeiden: ‘Jullie moeten afvallen! En schoon worden!’
Maar dat wilden ze niet. Ze hadden eindelijk plezier.
Ze hadden zelfs zoveel plezier dat de grote mensen een beetje jaloers werden. Zij dachten misschien ook wel dat ze dik wilden zijn. Maar zij zouden vast nooit een kikker gaan kussen.
Grote mensen vinden dat vies.

— GerJan van de Kamp

---

Reageren gesloten voor dit artikel