Zo verging het hem & haar
jan 13, 16:22

Zo verging het hem & haar

Hij staat in de kamer.
Zij zit op de bank.
Hij staart uit het raam.
Zij kijkt naar hem.
Hij heeft kaarsen aangestoken.
Zij doet de lamp aan.
Hij heeft zijn beste kleren aangetrokken, die zij niet mooi vind.
Zij loopt in haar dagelijkse kloffie; hij vindt alles haar mooi staan.
Hij weet niet wat hij moet zeggen, dus praat teveel.
Zij weet niet wat ze moet zeggen, dus zwijgt.
Hij praat over hoe het goed moet komen.
Zij praat over hoe ze alleen moet zijn.
Hij smeekt haar te blijven.
Zij smeekt hem te gaan.
Hij kijkt stoïcijns.
Zij huilt.

- – -

In het begin was het anders.

Hij vond haar leuk, want ze was de mooiste vrouw die hij ooit had gezien.
Zij vond hem leuk, want dat vond iedereen.
Hij wilde graag leuke dingen met haar doen.
Zij wilde graag leuke dingen met hem doen.
Daarom stelde hij voor de hele dag in bed te blijven
Daarom stelde zij voor de hele dag te gaan fietsen.
Hij was blij met haar, dus belde haar elke dag.
Zij was blij met hem, dus maakte haar weekenden voor hem vrij.
Hij vertelde zijn vrienden over zijn geweldige nieuwe vriendin.
Zij kreeg ruzie met haar vriendinnen over haar geweldige nieuwe vriend.

Hij wilde dat ze altijd zo zou blijven als ze was.
Zij wilde alles aan zichzelf veranderen voor hem.
Hij veranderde alles aan zichzelf voor haar.
Zij wilde dat hij altijd dezelfde zou blijven.
Hij vond haar geweldig, want ze was zo standvastig en betrouwbaar.
Zij vond hem geweldig, want hij was zo spontaan en apart.
Hij wilde graag een spontaan en apart vriendinnetje.
Zij wilde graag een standvastig en betrouwbaar vriendje.

- – -

Dus bleven ze bij elkaar.
Beide hopend op de dag dat de ander zou veranderen in een ander.
Maar niemand veranderde.

Hij wilde zichzelf zijn, maar wist niet hoe.
Zij wilde veranderen, maar wist niet waarin.
Hij werd boos, want ze vertelde hem niet waarin hij moest veranderen.
Zij werd boos, want hij liet haar zichzelf niet zijn.

Hij was koppig.
Zij was dwars.
Hij werd moe.
Zij werd moedeloos.
Hij werd achterdochtig.
Zij werd wantrouwig.
Hij was veeleisend.
Zij was wanhopig. – - –

En daarom staat hij daar nu en staart naar buiten.
En daarom zit ze daar nu en kijkt naar hem.
Hij weet dat hij moet gaan.
Ze weet dat hij moet gaan.
Hij vertrekt en kijkt niet meer om.
Zij ziet hem vertrekken; hij kijkt niet meer om.

- – -

Beiden zitten ze nu in hun eigen huis.

Hij staart naar buiten.
Zij staart naar buiten.
Hij is alleen en weet dat hij dat wilde.
Zij wilde alleen zijn en is dat nu.
Hij wil haar niet kwijt.
Zij wil hem niet kwijt.
Daarom belt hij haar niet.
Daarom belt ze hem.
Hij treurt de hele dag om de relatie die hij niet wilde.
Zij treurt de hele dag om de relatie die er niet was.

— GerJan van de Kamp

---

Reageren gesloten voor dit artikel