two-house-fish
mrt 9, 02:38
This is the story Robert and I started back in Lawrence. It’s about the lake we went to on a walk and the same one we tried to reach while climbing the waterfall. Robert made a very impressive drawing which is lying on the back seat of Stella. And this is the start of the written story. It’s in Dutch though, the translation will be available after the finish…
Er was eens… Nee, laat mij dit verhaal – dat op dit moment nog geen titel heeft, wat betekent dat wanneer u als lezer op deze pagina bent beland u reeds wijzer bent dan ik – niet met een leugen beginnen. Hoe mooi en romantisch een dergelijke sprookjesachtige start ook klinkt, het komt ditmaal niet eens in de buurt van de waarheid. Het eerlijkste begin zal dan ook zijn: er is nog steeds.
Er is nog steeds een groot, duister, mosgroen meer. Het is zeker niet het grootste meer op deze planet. Sommigen zouden zelfs zeggen dat het hier een relatief klein meer betreft. Diep, daarover is iedereen het eens. Maar groot is misschien wat overdreven. Om een tweede leugen te voorkomen spreek ik dus liever van een donker, mosgroen meer. De mosgroene kleur krijgt het water van de reflectie van het dichte bos dat om het meer te bewonderen is. Zonder de bomenreflectie zou het water de mosgroene kleur moeten missen. Dus, een donker meer. Behalve als de zon erop schijnt. Een meer. Een diep meer. Op de kleine planeet, die alleen te bereiken is als je je aan de andere kant van de zon bevindt. Probeer het maar eens: aan de andere kant van die mooie, grote, felle lichtbol vind je een kleine – vrij onbelangrijke, maar desalniettemin adembenemend mooie – planeet. De planeet heeft geen naam. Dat hoeft ook niet: iedereen die er wil komen, weet haar te vinden. En degenen die niet geinteresseerd zijn, nu voor hun hoeven we geen naam te verzinnen.
Om het diepe meer op de kleine planeet lopen twee mensen. Een meisje en een jongen. Zij heet Louwra en hij het Laurens, Ze noemen elkaar Lou en Lau. Lou is verliefd op Lau, maar durft dat niet te vertellen. Je raadt het al: Lau is verliefd op Lou. Hij is echter bang dat zij zijn gevoelens niet deelt en zegt er daarom dus niets over. Lou denkt: hij vindt me vast niet leuk, mooi, adrem, sociaal en aardig genoeg. Lau gelooft dat Lou alleen valt op stoere jongen: breed, groot, grappig en met blond haar. Lau heeft zwart haar, dat net wat te lang is en over zijn ogen valt. Ik kan de lezer verklappen dat aan het eind van dit verhaal Lou en Lau hand in hand en met alleen oog voor elkaar deze kleine planeet zullen verlaten. Alles echter op zijn tijd, hun afscheid volgt pas helemaal aan het einde. Laten we eerst een kijken hoe de wandeling hen bevalt.
‘Ik heb het koud’, zegt Lou.
‘Dit pad is nu niet wat je zegt lekker duidelijk aangegeven’, zegt Lau.
‘Volgens mij zie ik daar zo’n oranje driehoek. Hij wijst omhoog’, zegt Lou.
‘Nee, dat lijkt me meer een stukje verdwaald karton of plastic’, zegt Lau.
Lou rent Lau voorbij – die de hele tijd voorop loopt en zoekt naar markeringstekens voor de wandelroute die om het gehele meer leidt – en stopt net voor een hoge boom die bedekt is met zwart – naar honingruikend – mos.
‘Ha!’ roept Lou. ‘Het is wel een pijl! En hij wijst omhoog’.
Als Lau naast haar komt staan, kijken ze beiden omhoog. Heel even raken haar linker- en zijn rechterhand elkaar. Beiden duwen de hand in kwestie snel en schuldbewust in hun zwarte capuchontrui. Doordat ze allebei de lucht afspeuren, zien ze niet dat ook de ander bloost.
‘Dit lijkt me niet logisch’, mompelt Lau.
‘Hmm,’ fronst Lou. ‘Zeg, hoelang zijn we al aan het lopen?’
‘Ehm, volgens mij is het vandaag de drie-en-twintigste… Dus dat betekent dat we veertien dagen onderweg zijn.’
‘En dat noemen ze een klein meer…’ zucht Lou. Dan trekt ze Lau aan zijn mouw. ‘Misschien zijn we er!’
‘Waar?’ een groot vraagteken lijkt op Lau’s voorhoofd te staan.
‘Hoe noemen ze dit meer?’
‘Het diep meer?’
‘Ja, dat ook. Maar het staat ook bekend als het twee-weken-meer.’
‘Het twee-weken-meer?’
‘Ja,’ antwoord Lou, terwijl ze een pakje sigaretten uit haar zwarte rugzak tovert. Met één exemplaar tussen haar lippen draait ze zich naar Lau en van de wind om de vlam van haar aansteker te beschermen. Na drie pogingen licht het puntje van haar sigaret oranje op. ‘Het meer heet ook wel het twee-weken-meer, omdat het twee weken duurt voordat je bij het eindput bent.’
‘Je bedoelt voordat je terug bij het beginpunt bent,’ het vraagteken op Lau’s voorhoofd is nog niet veel kleiner geworden.
‘Nee, ik bedoel het eindpunt.’
Lau luistert niet erg aandachtig. Hij kijkt naar hoe Lou haar sigaret rookt. Hoe haar bleke lippen ietwat zijn getuit en hoe ze haar ogen sluit bij iedere lange haal. Het doet hem denken aan dat nummer van David Bowie:
Time takes a cigarette, puts it in your mouth
You pull on your finger, then another finger, then your cigarette
Hij hoopt maar dat deze associatie geen voorbode is voor een even ongelukkige afloop van Lou (en hemzelf) als voor Bowies alter ego Ziggy Stardust. Ik kan de lezer reeds geruststellen, maar zal Lau noodgedwongen in het ongewisse laten. (voetnoot: Deze keuze maak ik niet om hem te pesten of expres dwars te zitten, maar om de spanningsboog van dit verhaal niet te laten verslappen door ongewenste voorkennis van één van de hoofdrolspelers. Want dat zou toch zonde zijn?)
‘Wat is er?’ vraagt Lou als ze Lau naar haar ziet staren.
‘Niets!’ roept Lau te hard om nonchalant te klinken en kijkt snel weg om zijn tweede blos van dit hoofdstuk te verbergen.
Dan valt zijn mond open.
‘Wat is er!’ roept Lou nu en terwijl ze aan Lau’s mouw trekt kijkt ook zij omhoog. Ze hapt naar adem, wat haar doet hoesten van de hoeveelheid rook die ze binnenkrijgt. Met de rug van haar hand veegt ze de tranen uit haar ogen.
Boven hen is een bord verschenen. Een oranje bord. Met grote zwarte letter. Woorden. Drie om precies te zijn. Tegelijk lezen Lou en Lau de woorden hardop voor.
“Wees niet bang”.
— GerJan van de Kamp
Reageren gesloten voor dit artikel