Epiloog
dec 14, 07:31
Wanneer ik opkijk, zie ik mezelf zitten. Een laatste stap op het pad met de losliggende stenen en afgebroken takken brengt me naar een platform vanwaar een panoramisch uitzicht te genieten valt.
Ik zie mezelf geplaatst op een steen die een halve meter boven de rest uitsteekt. Mijn voorhoofd rust in mijn handpalmen, terwijl het zweet uit mijn sik en van het puntje van mijn neus op de kurkdroge grond druppelt.
Dan kijk ik op. Een zwarte, natgezwete zakdoek en de hippe zonnebril overschaduwen de bovenste helft van mijn gezicht. Onder mijn verbrande neus glimlach ik breed uit. Het is een glimlach uit de grond van mijn hart, uit de puntjes van mijn tenen. Het is de glimlach waar meisjes verliefd op worden, die bullebakken ontwapent en waarmee ik gesloten deuren kan openen en ongevraagde antwoorden krijg. Het is mijn glimlach. Mijn gelukzaligste glimlach.
‘Wat zie je?’ vraag ik, terwijl ik naast de jongeman in het bruine hemdshirt ga staan en een warme hand op de rechterschouder leg.
‘Waar ik morgen zal zijn’, antwoord ik en zo mogelijk verbreedt mijn lach zich nog enkele centimeters.
‘Waar zal ik morgen zijn?’
‘Dat zullen we zien als morgen vandaag is geworden.’
‘Ben je gelukkig?’ vraag ik knikkend.
‘Volgens mij ben ik nog nooit zo dicht bij de zon geweest.’
‘Als ik me uitrek zou ik haar aan kunen raken.’
‘Ja,’ en mijn zachte geknik wordt synchroon beantwoord.
‘Maar dat, dat zou zonde zijn,’ atwoordden we in koor. ‘Zo puur, zo nieuw. Gelijk zo vurig als de vlammen van de eerste dag en zo veilig als overal kan zijn. Ongenaakbaar en oneindig. Laat ons genieten van de eeuwige warmte. Laat ons genieten van de warmste deken en de krachtigste energie. Laat ons genieten. Laat mij genieten.
Zie mij daar staan en zitten: ik geniet.
— GerJan van de Kamp
Reageren gesloten voor dit artikel