Bier, Frituur en Kruidnagel
jul 20, 13:13
Wat een herrie hier.
Dat is het eerste wat ik denk als ik opkijk. Een schizofreen flitsend wit licht verblindt me fragmentarisch alvorens over te gaan in een zee van langzaam roterende rode en blauw vlekken. Wat bewegen die mensen hier veel en wat kijken ze raar. Gehypnotiseerd, gracieus, gelukkig, geil.
En waarom stinkt mijn shirt zo? Mijn laatste gedachte in deze rij is er eentje van naderend onheil: ik ben vast weer op mijn sigaretten gaan zitten.
Ik pluk mijn pakje kruidnagel sigaretten uit de achterzak van mijn uit elkaar vallende zwarte – maar vooral vale – spijkerbroek en ja hoor, allemaal krom en nog net niet doormidden gebroken. Wanneer ik er één probeer aan te steken, besef ik langzaam edoch overtuigend het volgende: ik ben dronken, zo zat als een aap en heb me naar alle waarschijnlijkheid klem gezopen. Deze drie conclusies kan ik trekken aan de hand van het feit dat ik zojuist mijn eigen linkerwenkbrauw heb verbrand. Tevens weet ik de oorzaak te vinden van de riekende geur van mijn shirt. Zo te voelen heeft Rutger per ongeluk en voor de zoveelste keer een glas verschraald bier over me heen gegooid. Waar is hij trouwens?
Na enig speurwerk zie ik dat hij een plekje tegen de plakkerige wand enkele meters van mij vandaan heeft opgezocht. En als ik me niet vergis, slaapt hij. Ik vraag me af of ik hem wakker moet maken. Maar dat houd in dat ook ik in beweging zal moeten komen en het lijkt me beter die uitdaging even achterwege te laten. Eerst dit soppige sigaretje oproken. Ik probeer rookkringen te blazen, maar dat lukt niet, want dat kan ik niet. Nooit gekund ook.
Wat een herrie hier.
Wat een stank ook.
En waarom heb ik een biertje in mijn hand en een gat in mijn shirt? Waar is Rutger trouwens? Deze reeks aan onzekerheden overvalt me met een nieuwe en verfrissende guts bier die ditmaal in mijn kruis belandt. Rutger is dan ook snel gevonden: hij zit half op mijn schoot met twee halflege flessen goud nat en lalt over zijn nieuwste projectje. Iets blond. Iets jongs. En vooral iets met grote borsten, want daar valt Rutger op. We proosten nogmaals: op het leven, op de vrouwen, op het bier en op onze wekelijkse uitstapjes naar dezelfde gruizige danstent in de stad. Waar ze reeds jaar en dag de bekendere en minder bekende hitjes draaien uit het alternatieve circuit. Waar rockmuziek nog rockmuziek is en dansmuziek eigenlijk ook. Waar iedereen met iedereen danst en toch altijd alleen. Waar het bier goedkoop is en in flesjes wordt verkocht.
Maar dat gat in mijn shirt, waar komt dat vandaan? Dan denk ik weemoedig terug aan mijn vorige sigaret. Die is er blijkbaar niet in geslaagd mij lang genoeg te boeien en we moeten samen in slaap zijn gevallen. Nog eentje proberen dan. Rutger houdt me deze keer wel wakker.
Wat een stank hier.
Een porseleinen bak onderscheid ik rond mijn hoofd en ik zie mijn maaginhoud het troebele water inglijden. Mensen moeten beter leren mikken, is mijn conclusie terwijl mijn handen weinig grip vinden op het witte porselein. Niet alleen mijn en andermans braaksel, maar ook urine, uitwerpselen en bloed plakt hier aan de toiletrand. En is aangekoekt tegen de muren. En ontsiert de vloertegels.
Opgelucht neem ik enkele slokken water en met frisse moed – zij het ietwat onstabiel – begeef ik me zwalkend naar de bar. Wederom duikel ik mijn pakje sigaretten op, waarvan nu toch wel de helft is doorgebroken. En de andere helft is doorweekt. Ik kies het langste exemplaar van de doorgebroken soort en met gesloten ogen inhaleer ik en bestel op goed geluk twee flessen bier. De barman laat ik het kleingeld tellen dat ik nonchalant over de bar heb gestrooid.
“LAATSTE RONDE”
Hou je bek man, denk ik logischerwijs en om dit kracht bij te zetten mompel ik hetzelfde in de richting vanwaar de mededeling lijkt te komen. Het is helemaal niet netjes om in iemands oor te brullen, probeer ik nog uit te leggen. Dan merk ik echter dat hij het niet persé tegen mij had, maar dat ik een ongelukkige plaats net naast de gigantische box heb gekozen om in kleermakerszit op de grond te gaan zitten. Daar is het pijnlijk: glas, bier en bas-tonen.
Rutger staat voor mij en trekt aan mijn arm. Ik werp hem een geërgerde blik toe, maar hij is standvastig. Hij wil weg. Ik vraag waarom: het is hier leuk! Hij stelt dat we weg moeten, want deze tent gaat zo sluiten. Goede reden, lijkt mij zo.
Waar nu heen? Rutger stelt iets draaibaars voor. Rutger wil altijd draaien aan het eind van de avond en een draaibar moet het dus worden. Een zee van mensen, een overweldigende zweetlucht en oorverdovende Apres-Ski hits begeleiden ons naar binnen en naar het draaiende gevaarte. Waar we twee lege krukken vinden en synchroon onze elleboog op de bierovergoten bar plaatsen.
Draai, bier, draai, weer bier, draai, val, draai, lach, draai, sigaret (gebroken, doorweekt), draai, grond, deur, buitenlucht.
Regen.
Naar huis stel ik voor.
Rutger wil blijven of ergens anders heen.
Huis, stel ik voor.
Rutger wil blijven of ergens anders heen.
Huis, stel ik vast.
Eerst nog wat snacken, is Rutgers nieuwe optie.
En dus staan we ladderzat tegenover elkaar met in de hand beide een naamloze burger waar het frituurvet uitdruipt en onze handen besmeurt.
Druipende haren, druipende burgers, druipende kleren.
Nu dan echt naar huis, meld ik met mijn mond nog vol.
Rutger wil blijven of ergens anders heen.
Ik loop met mijn rechterhand opgestoken als in een laatste groet van hem weg en ga op zoek naar mijn fiets. Het is weer genoeg geweest voor vandaag.
Fiets, stoeprand! Grond, nat, wederom fiets, huis.
Voordeur, sleutel, trap, gang.
Toilet.
Met de broek half op de knieën: bed.
Welterusten, wens ik mezelf.
— GerJan van de Kamp
Reageren gesloten voor dit artikel