Ruimteschip
jan 3, 16:14
“Waarom?” vraagt zij met een sceptische blik.
“Omdat het kan…” antwoord ik nonchalant.
“Dat is een rare reden…” repliceert zij.
“Dat is de beste reden,” vertel ik haar en kijk haar recht in haar schitterende ogen.
“En dat is dan ook weer waar,” concludeert zij.
Dus vertrekken we samen. Op een zondagochtend. Vanuit mijn achtertuin. Mijn zelfgebouwde ruimteschip past precies op het terrasje dat ik enkele jaren daarvoor met Mees heb aangelegd. Het idee was toentertijd dat we er leuk een bankstel op konden zetten of eventueel een barbecue op konden organiseren. Nooit gedacht dat uiteindelijk die paar rijen stoeptegels dienst zouden gaan doen als opstijgplatform.
Eerst hadden we een heerlijk ontbijt genoten in de ochtendzon welke zeer idyllisch door mijn keukenraam schijnt. Sinds zij in mijn leven is, sta ik veel vroeger op en nu pas weet ik dat het ’s ochtends echt schitterend is om in mijn keuken te ontbijten. Jaren woon ik hier al en nog nooit had ik dat gezien. Terwijl de croissantjes lagen af te koelen, schilde zij wat fruit en dronk ik mijn eerste kop zwarte koffie. Ze wreef even de slaap uit haar ogen en besmeerde haar croissantje overdadig met boter en jam. Ik at niet zoveel. Koffie is mijn motor. Ik keek hoe de zon van achter haar hoofd een soort halo van haar om het lieve gezichtje creëerde. En weer verbaasde ik me erover dat deze schitterend meid graag met mij wakker wordt.
Vervolgens hadden we vakkundig mijn slaapkamer en woonkamer overhoop gehaald en hadden enkele spulletjes in een rugtas gestopt. Slechts enkele kledingstukken, een paar boeken, mijn lievelings-cd en haar telefoon. Samen gingen we vervolgens in de deuropening naar mijn achtertuin zitten en keken naar het ruimtevaartuig. De dauw parelde hier en daar nog op het vijf meter hoge, glimmende gevaarte.
De laatste maanden had ik me intensief bezig gehouden met de bouw hiervan. Soms stond zij dan met opgetrokken wenkbrauw te kijken, maar nooit zei zij er wat van. Ze liet me altijd mijn ding doen. Ze wist dat het slimmer was mij aan te laten klooien en vervolgens vast te lopen of iets juist helemaal te verknoeien, dan er een ellenlange discussie over te beginnen. Ik gaf me nimmer gewonnen en ze vond dat ze er haar tijd mee verdeed. Dus zat ze soms met één van onze katten op schoot te kijken naar mijn vorderingen.
Ieder stuk metaal, ijzer en alles wat daar ook maar een beetje op leek, had ik reeds gebruikt. Meestal waren het spullen die ik bij de vuilnis vond: je kon het zo gek niet bedenken of ik had het op de een of andere manier in het vaartuig verwerkt. De laatste maanden was ik echter ook rigoureus onderdelen van het huis aan het demonteren om zo te kunnen gebruiken. Ze begon dan ook wel hartstochtelijk te klagen toen ik het fornuis en het aanrecht uit de keuken sloopte. Ondertussen wist ik echter van geen ophouden en luisterde ook niet meer naar haar. Als compensatie had ik een nieuwe oven voor haar geregeld en om haar ongerief ietwat te verzachten, bakte ik zoveel mogelijk chocoladetaarten voor haar.
Met een plak chocoladetaart – deze keer voorzien van grote stukken hazelnoot en een laagje anijs – zit ze naast me. Ik heb mijn tweede mok koffie voor deze dag in mijn rechterhand en leg zacht mijn linkerhand op haar knie. Zonder haar aan te kijken, weet ik dat er zich een kleine glimlach om haar lippen vormt. Ze neemt een hap taart en rommelt nogmaals door de rugtas.
“Wil je echt niet meer meenemen?” vraagt ze.
“Nee, niet echt. Jij wel?” ik kijk haar nu aan.
Ze is stil en sluit de tas. Blijkbaar niet. Ze reikt naar achteren en pakt de kop thee, die ze op de keukenvloer had gezet. Ze nipt voorzichtig aan de dampende vloeistof die ze vakkundig brouwde met behulp van vreemde plantjes uit de tuin.
Ze slaat haar ogen op. “Waar denk je aan?”
“Ik denk aan het spannende avontuur dat ons te wachten staat. Ik heb er zin in, stiekem eigenlijk wel. En ik vroeg me af of we Mees een beetje kunnen vertrouwen met de katten…”
Ik kijk bedenkelijk naar de grote kater met zijn vele gebreken. Hij waggelt om ons ruimteschip en snuffelt aan de verschillende onderdelen.
“Ach,” antwoordt zij. “Dat zal wel loslopen. Hij heeft het toch al eerder gedaan? En toen ging het steeds goed, toch?”
“Ja, dat is wel zo. Maar we gaan nu best lang weg.” Ik staar in mijn mok koffie.
“Hoe lang gaan we eigenlijk?” Nu is zij het die haar hand op mijn been legt en er een klein kneepje ingeeft.
“Ik heb werkelijkwaar geen idee,” zeg ik glimlachend tegen mij koffie. Even is ze stil.
“Spannend,” antwoordt ze.
—-
Nog één maal controleer ik of ik de achterdeur goed heb dicht gedaan. Nog één keer kijk ik door het keukenraam en zie de starende ogen van de katten. Hulpeloos en verlaten aanschouwen ze mij beschuldigend. Ik haal mijn schouders op en gooi mijn handen in de lucht, maar weet ook dat – als ze het al zouden begrijpen – ze hier geen genoegen mee zullen nemen. De laatste blik op de katten zal er één van beschuldiging en verlatingsangst zijn. Het zal in mijn geheugen gegrift staan en zal tevens één van de redenen zijn dat ik weer terug zal komen. Want terugkomen doen we. Zoals gemeld, heb ik geen idee hoe lang we weg gaan blijven, maar het plan is en blijft dat we thuis zullen komen. En als we thuiskomen, zal ik deze katten bedelven onder vis, brokjes, liefde en kattengrit.
Ik draai me om en zie haar nog net het groengeverfde ruimteschip in klimmen. Ik kan er niets aan doen, maar de aanblik van haar mooie billen doet mij even de pijn om de achtergelaten katten vergeten.
Gifgroen, dat was de uiteindelijke kleur geworden. Het was het idee van Thomasz, en aangezien hij ook meeging – en zelfs het grootste gedeelte van de brandstof had betaald – hadden we er schoorvoetend mee ingestemd. Ergens onderin het gevaarte zal Daan alvast een plekje hebben gemaakt. Toen ik haar vertelde over dit verhaal – om haar aldoende voor te bereiden op het naderende afscheid – was ze zeer overtuigend in het feit dat ze mee ging. Ze vroeg het niet. Ze deelde slechts mee, dat het ruimteschip nog iets groter gemaakt moest worden, want zij zou en moest mee. Een klein beetje meer ruimte kon er nog wel worden gerealiseerd, maar volgens zijn primitieve berekeningen mocht het gevaarte niet veel groter zijn dan hij nu reeds was. En dus was het krap in het gifgroene ding.
Ik stap op het laddertje en schop deze bij binnenkomst los van het ijzeren gevaarte. Hermetisch sluit ik het deurtje en zie hoe mijn drie medepassagiers verwachtingsvol naar me kijken. Ik neem plaats in én van de twee hoogste kuipstoelen. Naast me zit zij, achter mij zit Thomasz en schuin kan ik vanuit mijn ooghoek nog net mijn kleine zusje zien zitten.
“Iedereen comfortabel?” ze klinkt als een ervaren stewardess.
“Grmpf…” is een redelijk fonetisch correcte weergave van het geluid dat uit Thomasz komt, die probeert zijn beugels en riemen iets losser te krijgen.
“Niet aanzitten!” roep ik tegen hem, wanneer ik hem hoor sjorren. “Dat het vast heel kut zit geloof ik graag, maar anders is het veel te link allemaal. Het is al niet helemaal zonder gevaar, maar laat het in ieder geval gewoon maar zo strak zitten.”
“Het zit heel kut,” klaagt Thomasz.
“Dat geloof ik graag,” antwoord ik zo meelevend mogelijk.
— GerJan van de Kamp
Reageren gesloten voor dit artikel