Verkeersbordenblues
mrt 11, 23:12
De verkeersborden flitsen voorbij, terwijl hij met zijn kleine auto over de snelweg raast. Zo laat in de avond zijn er weinig andere auto’s op de weg en daarom kan hij het gaspedaal ver in trappen. Enkele kilometers terug stopte de rij lantaarnpalen plotseling, waardoor hij nu alleen maar die paar meters voor hem – opgelicht door zijn eigen koplampen – kan waarnemen.
En om de zoveel tijd een verkeersbord; de ene keer een waarschuwing om niet te hard te rijden, de andere keer een plaatsaanduiding, dan weer een aankondiging voor een afslag.
Allemaal plekken waar hij niet wil zijn. In stilte zit hij licht onderuitgezakt achter het stuur en tuurt in de peilloze zwartheid voor hem. De radio heeft hij al uren geleden uitgezet; het ruisende gekwetter werkte op zijn zenuwen.
Naar huis. Nog een kleine zestig kilometer en dan zal hij zijn auto weer voor zijn eigen huis kunnen parkeren, zijn eigen grintpad op kunnen lopen en zijn eigen grote voordeur open kunnen doen. Dan zal hij zijn weekend tas in de hoek naast de trap neer zetten en gelijk een bezoekje brengen aan zijn ijskoude toilet.
Hij zal zijn grote woonkamer in lopen en enkele lichten aandoen. Op weg naar de koelkast, kan hij snel de thermostaat op twintig graden draaien, zodat het huis wordt opgewarmd, terwijl hij met iets te eten en een glas whisky op de bank plaatsneemt. Daar zal hij dan zijn voeten op de tafel leggen en de stapel post op schoot nemen, om na twee rekeningen te hebben geopend de hoop alweer aan de kant te schuiven. Hij zal de televisie aanzetten en kijken naar programma’s die hij niet leuk vindt.
En dit alles zal hij alleen doormaken.
Sinds de scheiding voelt het huis te groot voor hem alleen, maar hij durft het niet te verkopen. Daarvoor is het nog te kort geleden. Er zijn veel meer kamers dan hij kan vullen met zijn bezittingen. Hij is meer op zijn werk dan thuis en de keuken wordt praktisch niet gebruikt. Zijn koelkast biedt ruimte aan bier, enkele snacks en een berg magnetronmaaltijden.
Dit scenario – dat zich slechts een uur geleden in zijn hoofd afspeelde – wordt rond half twaalf werkelijkheid: als hij uit zijn auto klimt, stapt hij gelijk in een grote modderige plas. Tussen het grint ziet hij het opgekomen onkruid en hij moet met kracht de voordeur open duwen om zo een weg te kunnen banen door de stapel post en folders. Na zijn blaas te hebben geledigd, hoort hij zijn voetstappen door de stille woonkamer galmen. Terwijl de magnetron spint, schenkt hij zichzelf een groot glas whisky in en schopt zijn nette schoenen uit. Hij doet zijn degelijke stropdas af en trekt zijn kamervest aan. De gordijnen zijn al dagen niet open geweest en het ruikt hier muf. Onbewoond en doods. Het geluid van de televisie gaat uit, terwijl een slechte politiefilm uit eind jaren tachtig beelden zijn kamer in projecteert. Nog voor hij de magnetron heeft horen piepen, valt hij in slaap op de bank.
De wekker gaat om half negen. Gelukkig hoeft hij deze maandag niet te vroeg te beginnen. In zijn rooster is rekening gehouden met het feit dat hij pas laat terug zou zijn van het congres en dus heeft hij enkele goede uren kunnen slapen. Hoe hij in bed is beland weet hij niet precies meer, maar ziet hij wel is vergeten zijn sokken en broek uit te trekken alvorens onder de dekens te kruipen. Hierom glimlachend stapt hij uit het twee persoonsbed en loopt naar zijn badkamer. Tijdens het douchen scheert hij zich en verbaast zich onderwijl over hoe oud hij er uit ziet in de spiegel. Eén van de vele donker blauwe pakken wordt uit de kledingkast getrokken en op de goede gok trekt hij een stropdas van het rek. Donkergroen wordt het blijkbaar.
Hij neemt niet de tijd te ontbijten of koffie te zetten, maar stapt gelijk de deur uit. Hij stapt een tweede maal in de grote modderige plas net voor hij zijn autodeur opent. Mopperend stapt hij in, klopt het ergste vuil van zijn schoenen tegen de onderrand van de auto en zet zijn aktetas naast zich op de bijrijderstoel. Dan draait hij de auto van de oprijlaan en begeeft zich richting het ziekenhuis.
Weer een nieuwe dag. Weer hetzelfde, grote, onpersoonlijke ziekenhuis. Weer andere patiënten. Weer dezelfde klachten. Zijn humeur wordt er niet beter op door deze gedachten en langzaam zakt zijn gezicht in een frons.
Dat was tijdens het congres wel anders geweest! Hij vindt dergelijke weekenden altijd heerlijk. Een uitje, een korte – welverdiende – vakantie. Tijdens zulke dagen voelt hij zich decennia jonger. Hij spreekt mensen aan, houdt enthousiaste redes en geeft levendige colleges. Tijdens de avondmaaltijden is hij de welbespraakte en humoristische oude-rot-in-het-vak en op het eindfeest in het grote hotel danst hij die jonkies van de vloer.
Nu hij echter weer op weg is naar zijn saaie routine, lijkt een depressieve waas over hem heen te worden getrokken. Loerend in de achteruitkijkspiegel doet hij zijn stropdas recht en probeert de man op leeftijd in het kleine raampje te herkennen als zichzelf.
Bijna had hij haar aangereden.
Met piepende remmen stopt hij zijn auto net op tijd voor het zebrapad. Een klein meisje – hij schat haar op een jaar of tien, maar hij heeft nooit veel opgehad met kinderen dus zou er best een paar jaar naast kunnen zitten – staat midden op straat stil naar hem te kijken.
Zijn hart bonst in zijn keel en hij draait zijn raampje open om het dametje eens ferm toe te spreken. De brede, ontwapende glimlach van het kleine blonde meisje, doen hem echter anders besluiten. Hij steekt zijn hoofd door zijn autoraam en vraagt: “Gaat het een beetje, meisje?”
Zij lacht slechts en knikt met haar hoofd. Langzaam steekt ze haar vrije hand op en zwaait naar hem. De andere hand, die los langs haar lichaam hangt, houdt een oude pop vast. Verrast zwaait hij terug en op het moment dat hij met zijn ogen knippert, is ze verdwenen.
Een waterig zonnetje breekt door de dikke – met regen gevulde – wolken door: het ziet er naar uit, dat voor het eerst sinds dagen de regen ietwat zal afnemen.
— GerJan van de Kamp
Reageren gesloten voor dit artikel