De Pendelaar & De Put, hoofdstuk 1
sep 28, 17:28
De ochtenden waren het mooist. Hij zorgde er altijd voor rond zonsopgang wakker te worden om zo de zon en het landschap te kunnen begroeten. Boven het kleine haardvuur hing hij dan een ketel water voor een verse bak koffie en nam vervolgens plaats op het zelfgemaakte bankje naast de voordeur.
Rustig en in stilte genoot hij van het panorama, terwijl hij de slaap uit zijn ledematen liet stromen. Om hem heen begon de wereld te leven. Flora en fauna ontwaakten en startten een nieuwe dag. Zo ook hijzelf.
Hij stond op en liep naar de waterput achter het huis. De put was al aanwezig toen hij in dit huisje trok en werkte nog altijd goed. Een huis kon men het niet echt noemen; het was meer een soort plaggenhut met een grote kamer die als woongedeelte, slaapvertrek en keuken dienst deed. Eveneens als stal trouwens, Koos de bejaarde geit en enkele kippen schuimden in en rond zijn knusse hut. Met natuurlijk een hond. Een hond mag niet ontbreken in dit soort plaatjes. Dit exemplaar was een doorgezakt grijs geworden vuilnisbakkenras, wiens favoriete bezigheden waren: slapen en gevoerd worden.
Zijn huisje stond op een klein soort schiereiland dat de grote rivier in liep. Dit was één van de weinige plekken waar de rivier kon worden overgestoken. Het was dan ook niet verwonderlijk dat hij zijn dag vooral vulde met het overzetten van mensen met zijn eenvoudige, maar niettemin betrouwbare vlot.
Het systeem was ouderwets; toekomstige vlotreizigers moesten aan een bel trekken als ze aan de overkant van de rivier stonden, dan bezorgde hij met een touw en een lange paal, waarmee hij zich op de bodem van de rivier afzette, het houten gevaarte van twee bij drie meter naar de wal. Daar kon vervolgens worden opgestapt en na een klein kwartier stonden de reizigers op zijn kleine houten steiger. Wanneer reizigers van zijn kant van de rivier een oversteek wilden maken, zochten zij de pendelaar op – die nooit ver van zijn huisje was – om vervolgens voor een zelfde kleine vergoeding overgezet te worden.
Vaak werd hem verteld dat hij een stuk meer zou kunnen verdienen als hij een soort van taverne zou openen, waar gegeten, gedronken en eventueel geslapen kon worden. Daar voelde hij echter niets voor, hij was gesteld op zijn rust. Hij had genoeg aan de sporadische luchtige gesprekken op het vlot. Veel gebeurde dit echter niet. Het land waar zijn schiereiland aan grensde werd niet veel bezocht; er waren geen grote steden of industrieën aan zijn kant van het water en het natuurschoon was aan de oever van de bewoonde wereld hetzelfde, zodat men liever daar bleef dan tijd te verdoen op een stuk hout op de rivier.
Hij woonde alleen. Als mensen hem vroegen waarom vertelde hij telkens een ander dramatisch verhaal. Zo zou zijn partner – meestal een vrouw, maar soms ook een man, vooral als het van die deftige dametjes van achter in de vijftig waren welke een zeer zuur gezicht trokken bij het idee met een homofiel op een houten rechthoek te vertoeven – een aantal jaren geleden hier zijn verdronken en kon hij zich niet scheiden van haar (of zijn) achtergebleven geest. Of de partner in kwestie was er op een goede dag vandoor gegaan met de nog nuttige dieren en was nooit meer gezien. Of hij was hiernaar toe getrokken nadat hij in een verschrikkelijk ongeluk zijn kinderen en vrouw had verloren en nu zielsalleen op de wereld was. Eén van deze verhalen of een andere versie spelde hij zijn nieuwsgierige reizigers op de mouw. Wat de waarheid was, wist hij zelf al niet meer. Het maakte hem ook niet uit. Hij had zijn rust gevonden in dit huisje en hij verwachtte hier ook op een goede dag te sterven.
Terwijl hij met een klein emmertje water uit de put omhoog haalde, boog hij zich voorover en staarde in de zwarte leegte. Dit was de enige plek van zijn terrein dat hij niet had gerenoveerd toen hij hier kwam wonen. Het huisje had op instortten gestaan, de tuinen er omheen overwoekerd met weelderig onkruid en het vlot was lek. De put bleek echter nog in prima staat te zijn. Het eerste emmertje dat hij omhoog haalde, was – tegen zijn stoutste verwachtingen in – gevuld geweest met helder en drinkbaar water.
De put was een mysterie voor hem. Hij had geen idee hoe diep het kon zijn, want als hij het emmertje met het touw liet zakken, leek het nooit een te bodem raken. Toch zag hij soms – als hij weer eens zoals zo vaak over de rand leunde en in de diepte staarde – een flauw schijnsel; een weerkaatsing? Een lichtbron? Hij had geen idee en durfde er eigenlijk ook niet over na te denken.
- – -
Hij was een jaar of twintig geleden zelf eens met het vlot overgestoken. Toentertijd werd het bemand door een stokoude man, die zo weinig kracht in zijn armen had, dat hij uiteindelijk zelf had moeten pendelen. Het was in de tijd dat hij nog graag en uitvoerig verbleef in natuurschoon. Er was inderdaad niet veel spannends te beleven geweest aan de wal waar de smalle landtong mee was verbonden. De vogels waren dezelfde, het landschap gelijk. Toch straalde het gebied zoveel rust uit, dat hij het gevoel had jaren weg te zijn geweest toen hij drie dagen later met de oude man weer overstak. Hij probeerde de bejaarde grijsaard te vertellen over de rust die hij daar had ervaren. De man glimlachte slechts en stond erop dat hij niet betaald werd.
Het duurde lang voordat hij terug kwam. U kent het wel, het leven raast door en momenten van rust worden snel vergeten en dientengevolge ook steeds minder opgezocht. Juist op het moment dat de herinnering voorgoed uit zijn geheugen zou worden gewist, zat hij op een avond peinzend in zijn luie stoel. Hij dacht aan de jongeman die hij was geweest en de oudere man die hij aan het worden was. Toen liet de herinnering nog eenmaal zijn gezicht zien om vervolgens zijn leven ingrijpend te veranderen. Hij zag de oude man en zijn vlot weer en vroeg zich af wat er van hem was geworden.
Een week voordat hij het huisje kwam bewonen, had hij aan de wal staan bellen om zo de pendelaar te informeren over zijn wens tot oversteken. Na een half uur bellen en wachten, kreeg hij van een ronddwalende wandelaar te horen dat de oude man was overleden.
“Wie bedient het vlot nu dan?”
“Niemand. Waarom zou iemand dat willen? Het is hier te doods en verlaten,” antwoordde de wandelaar met een blik op het bouwvallige huisje op het schiereiland.
“Dat huisje dan, woont daar nu niemand?”
“Nee, het bouwval is leeg en ook deels ingestort zoals je van hieraf kan zien.”
Dat kon hij inderdaad goed zien; de voorkant was door weer en wind zo goed als weggevaagd.
“Hoe kom ik daarin?”
Deze vraag zorgde voor argwaan bij de wandelaar. “Wonen bedoelt u?”
“Ja, het is nu toch van niemand?”
“Nu ja, het is geloof ik vast wel van iemand. Alles is altijd van iemand.”
”Ik wil daar wonen,’ besloot hij ter plekke “Vertel mij alstublieft bij wie ik moet zijn om dat huisje mijn eigendom te maken.”
“Weet u wat, ik geef u een week de tijd om erin te trekken. Als u er daarna niet woont, is wat u zojuist vertelde slechts grootspraak en vergeet ik het gehele voorval. Als ik echter over een week hier aan de bel trek en u kunt mij overzetten, geef ik u het huisje.”
De eigenaar van het schiereiland en het huisje glimlachte breed naar zijn verbijsterde toehoorder en wenste hem vaarwel, in de veronderstelling deze stadse meneer nimmer weer te zien.
Dezelfde eigenaar was dan ook stomverbaasd, toen hij bij wijze van grap enkele van zijn vrienden uitnodigde mee te gaan naar de vervallen stijger om daar vervolgens te concluderen dat de aanlegplaats was gerestoreerd. Maar dat had iedereen kunnen doen. Na het vermakelijke verhaal waren zijn toehoorders nieuwsgierig geworden en zo gebeurde het dat precies een week na de ontmoeting tussen de eigenaar en de onbekende stedeling in de namiddag er een groep van zes mannen op leeftijd bij de wal stond te wachten. Het was mistig waardoor het zicht slechts enkele meters was. De landtong met de ingestorte woning was niet te zien. Het touw waarlangs de pont werd getrokken was weer vastgemaakt. Maar ook dat had iedereen kunnen doen. Het geluid van de bel klonk helder en leek door de mist menigmaal te worden weerkaatst.
Na tien minuten wachten begonnen de kompanen van de eigenaar ongeduldig te worden en eisten een vergoeding in de vorm van een stevige pint bij terugkomst in de buurtkroeg. De eigenaar tuurde echter nog steeds in de mist en zag daardoor als eerste het houten vlot opdoemen. De man die hij een week geleden in de ogen had gekeken, kwam daar aan ploeteren. De man bij wie hij een licht in de ogen had gezien, een houvast op het moment dat hem deze mogelijkheid werd geboden, kwam zwetend en steunend uit de mist opdoemen. Hij zag er vermoeid uit – wat wel logisch was, zo redeneerde de eigenaar, want het weer vaarbaar krijgen van de pont moest een zware klus zijn geweest – maar het licht dat de eigenaar een week geleden in die diepliggende ogen had gezien, scheen nu met volle trots. Hier stond een man met een missie. Wat die missie moest zijn, was de eigenaar een raadsel.
De groep mannen applaudisseerde toen ze de stedeling zagen en hielpen hem het vlot vast te zetten, terwijl ze hem overspoelden met goed tips, adviezen en raad. De eigenaar hield zich glimlachend afzijdig en toen de nieuwe bewoner naar hem toe stapte, pakten ze elkaar de hand en deelden een warme handdruk. De eigenaar haalde uit zijn borstzak een vergeeld oud contract, waarin stond dat de bewoner van het huisje op het schiereiland geen huur hoefde te betalen. Daartegenover stond echter dat persoon in kwestie zich zou wijden aan de dienst van pendelaar en hiervoor een kleine vergoeding mocht vragen. Hij overhandigde deze en de nieuwe pendelaar knikte en zette zijn handtekening.
“Welkom en gefeliciteerd met uw nieuwe baan. Hopelijk kunt u ervan rond komen, want zo druk is het niet.”
“Ach, dat zal wel goed komen en anders heb ik nog wel geld achter de hand,” straalde de kersverse pendelaar.
“Weet u wat, ik zal de oude reclameborden weer ophangen bij mijn kroeg enkele kilometers terug. Dat zal de mensen in ieder geval laten weten dat het weer kan. Pendelen bedoel ik dan.”
“Dat is erg aardig van u.”
“Gaat u anders even mee wat drinken om uw nieuwe baan te vieren en ons de mogelijkheid te geven onze nieuwe inwoner te verwelkomen?”
“Nee, ik dank u hartelijk voor het aanbod, maar ik was juist zo lekker bezig met het opstarten daar aan de overkant. Ik zal binnenkort zeker langskomen, als u dan ook eens bij mij komt kijken.”
“Dat is dan geregeld”, en met een tweede vriendelijke handdruk verlieten de mannen elkaar.
De groep bijstanders keek hun nieuwe buurtbewoner na tot hij in de mist was verdwenen en onder druk gespeculeer begaven zij zich weer naar de stamkroeg.
In de volgende weken waren alle omwonenden wel eens langs geweest, maar na de eerste heisa over “de nieuwe pendelaar” was de drukte weer afgenomen. Hij werd algemeen geaccepteerd als de nieuwe inwoner. Al snel stond hij tevens bekend als een rustige en stille man. Het werd hem dan ook niet verweten dat hij niet vaak in de stamkroeg te vinden was. De meeste inwoners van de kleine gemeente vonden dat zelfs wel fijn, want de man had een verre, intelligente blik in zijn ogen die hun schrik aanjoeg. Alleen de eigenaar van het huisje en de stamkroeg scheen hem te begrijpen. Als de twee mannen elkaar tegenkwamen in de plaatselijke winkels begroetten zijn elkaar dan ook altijd hartelijk en waren zonder veel woorden goede vrienden geworden.
Hij zette nu enkele keren per week iemand of een groepje reizigers over. Hij was ondertussen bedreven geworden in het pendelen en het onderhouden van het vlot. De rest van de tijd besteedde hij zoals hij dat zelf wilde.
— GerJan van de Kamp
Reageren gesloten voor dit artikel