Balkonscene (fragment)
apr 29, 16:08
Kom eens hier. Neem naast mij plaats en kijk naar hem. Zie je hem staan? Let goed op, want zijn onbeweeglijke afwezigheid werkt afleidend. Wacht, we doen een stap dichterbij. Nu zie je hem zeker: voorovergebogen, met een gitzwarte capuchon tot over zijn wenkbrauwen en een onaangestoken sigaret tussen zijn lippen. Met zijn tenen over de stenen rand tuurt hij beurtelings recht naar voren en strak naar beneden. Iedere keer als hij zijn blik tot de diepte voor zich wendt, schommelt hij gevaarlijk. Toch staat hij daar, stevig en alleen. Alsof de wereld zojuist is geëindigd.
mee? Dan flankeren we hem. Loop rustig op hem af, maar ook weer niet te stilletjes: we willen immers niet dat hij van schrik zijn evenwicht verliest. Leg je warme hand op zijn dunne linkerschouder, dan ontferm ik mij over de rechter. Ik zal het woord doen. Kijk jij vooral niet naar beneden.
‘En wat brengt jou hier?’
Zie hoe mijn eerste vraag hem uit een soort droomtoestand doet ontwaken. Langzaam brengt hij met zijn linkerhand nu een neongele aansteker naar zijn gezicht. Het vlammetje toont ons kort zijn ingevallen wangen, zijn verbrande neus en de doodse ogen. Heel even maar, want dan neemt hij een eerste hijs aan de nu ontstoken sigaret en gooit met een ferme zwaai de aansteker door de nachtelijke, zwoele lucht.
Geen nood, ik probeer het nogmaals.
‘Wat brengt jou hier?’
‘Wat brengt een ieder hier?’
‘Er is hier niemand, behalve jij.’
‘Jullie zijn hier toch ook?’
‘Niet voor lang.’
‘Als ik.’
Nu kijkt hij weer recht voor zich uit en hult zijn gezicht in sigarettenrook. Een traan rolt langzaam over zijn wang en verdwijnt in zijn kortgeknipt donkerblonde sik
‘Vertel maar. Vertel het mij maar. Vertel het ons.’
Heel goed: geef hem – net als ik doe – maar even een rustgevende, bemoedigende en liefdevolle kneep in de schouder.
‘Het is af. Klaar.’
Hoor je dat ook? Luister eens hoe hol zijn stem klinkt: zo resoluut. Zo radeloos.
‘Wat heb je daar?’ vraag ik, wijzend naar de donkere vorm in zijn rechterhand. Als een trofee houdt hij het druipende voorwerp voor zich uit. In het maanlicht meen ik het ritmisch te zien pulseren. Hij kijkt ernaar alsof hij het donkere voorwerp – dat precies in zijn open hand past – voor het eerst waarneemt. Dan tuurt hij weer recht voor zich uit en praat, terwijl de sigaret tussen zijn lippen danst in de cadans van zijn dramatische woorden: ‘Het is al wat ik heb. Wat ik had.’
Verschrikt houdt jij je adem in, als je bij nadere inspectie ziet dat het een dampend hart betreft. Je hebt gelijk, het is zijn hart: kloppend in een koude vuist.
‘Wat gaat er nu mee gebeuren? Waar gaat het heen?’
‘Er zal niets meer mee gebeuren. Het gaat nergens meer, behalve mee.’
‘Wat is er gebeurd? Wat bracht je tot hier? Vertel het ons.’
‘Waar te beginnen?’ Zijn schouders gaan even hulpeloos omhoog en onze beide handen glijden van het zwarte katoen.
‘Waarom begin je niet hier?’
‘Okay.’
Het volgende moment verplaatst hij zijn gewicht en valt rustig voorover van de betonnen reling. Jij probeert hem nog te grijpen, maar ik heb het al gezien: sommige keuzes zijn onafwendbaar. En terwijl wij kijken hoe hij langzaam aan snelheid wint, denk ik aan hoe het allemaal is geëindigd. Hoe alles op dit moment samenvalt. Zowel het einde als het begin. In de korte tijd die hem nog rest, in het minuscule moment dat het heden heet, ervaar ik zijn verhaal als een epos. Als het einde van het begin. Dat blijft zijn verhaal. Want zijn verhaal is mijn verhaal. En dit is dat verhaal.
(...)
— GerJan van de Kamp
Reageren gesloten voor dit artikel