Wit
apr 29, 12:29
Mijn tenen omklemmen de witte pedalen van de roze citybike. Een donkerbruine capuchon klappert in de nachtelijke bries tegen mijn ongeschoren wangen. Mijn lippen zijn getuit, mijn wenkbrauwen gefronst en mijn voorhoofd gerimpeld. Ik laat de paniek mij omhullen als een warme deken.
In de wipperende bundel van mijn voorlicht – bermgras, asfalt, paardebloem – ontwaar ik twee blote voeten precies in het midden van mijn pad.
Ik ben ik en jij bent haar.
Ik knijp de voorrem in en minder vaart, totdat ik slechts een meter achter haar fiets. Het ritme van haar passen is langzaam en hypnotiserend: ik slinger licht om zo mijn evenwicht te bewaren, terwijl ik kijk hoe haar voet afrolt. Hak, zwarte zool, witte tenen. Dan draait ze om.
Ik ben hem en zij is zij.
Ze gluurt voorzichtig door de sluier van haar blonde haren. Een vaalwit zomerjurkje flappert tegen haar lijf. Grasvlekken ontsieren haar knieën. Hij stopt met trappen, gooit zijn capuchon af en plaatst zijn naakte linkervoet op het fietspad.
Donker.
Terwijl de fiets in de berm wordt gegooid, wandelen twee mensen op blote voeten door het natte gras. Een maan glimt op zijn kale schedel en verlicht haar naakte schouders. Ze pakt zijn hand. Hij kijkt weg. Een kleine helling en dan een bankje. Een picknickbankje, met twee tegenover elkaar staande zitplaatsen en een symmetrisch tafelblad. Vuur vrat vreemde figuren in de gebeitste planken. Zij gaat op één van de bankjes zitten. Hij neemt plaats op de tafel. Haar voeten schommelen in het luchledige, terwijl hij languit op zijn rug gaat liggen.
Ik ben hem en jij bent haar.
Hij wordt mij, zij is jij.
‘Mijn voeten zijn koud.’
‘Warm ze in mijn vagina.’
‘Ik ken je niet.’
‘Wat wil je horen?’
‘Wie ben je?’
‘Dezelfde als morgen.’
‘Waarom ben je hier?’
‘Dat weet alleen jij.’
‘Mijn voeten zijn koud.’
‘Het spijt me.’
Ik ben ik en jij bent de ander.
Wanneer ik mijn gezicht bijdraai en in je ogen wil kijken, weerspiegelt de maan in je bril. Nu ben je een ander. Verward zet ik mijn voeten op het tafelblad en richt me op. De picknicktafel zakt licht door onder mijn gewicht. Ik schuif mijn rechterhand in mijn boxershort en voel hoe koud mijn ballen zijn.
Ik ben ik en jij bent altijd dezelfde.
‘Waarom ben je hier?’ vraag ik het duister.
‘Omdat je ons hier wilt hebben.’
‘Wie zijn jullie dan?’
‘Wij zijn er altijd.’
‘En wat doe ik?’
‘Jij maakt ons boos.’
‘Hoe bedoelen jullie?’
‘Jij maakt ons boos. Altijd. Uiteindelijk altijd.’
Ik spring van het bankje en land in mul zand. Mijn linkervoet snijdt een steen. Met drie stappen ben ik aan het water. Als een openende poort verwijderen kringen verwelkomend water zich van de kade. Ik weet het. Ik maak jullie boos.
Ik ben ik en jij bent de enige.
In mijn optiek eindig jij altijd boos. Jij. Mijn enige. Mijn uiteindelijke altijd. Ik zet mijn voeten op de kade en draai me om.
‘Het spijt me.’
‘Ja,’ is het enige.
‘Het spijt me. Voor mij.’
Een kikker springt over mijn voet. Gekwaak vult de nacht als ik mezelf in het kalme water laat vallen. Met ferme vastberaden slagen zwem ik naar het midden van het kanaal. En wacht tot het zinken zich inzet.
Ik ben ik en de enige ben jij.
Ik zie de maan. Jij loopt terug en pakt mijn fiets. Ik zie je witte voeten op de witte pedalen en lach. Mijn gelach overstemt het gekwaak, terwijl jij me de rug toekeert.
Ik ben mezelf.
Ik zink tot mijn voeten in het slijk terecht komen. Met mijn tenen graaf ik mezelf in. De modder omhult mijn knieën, klemt tegen mijn buik en slokt mijn schouders op. Een laatste luchtbel cirkelt uit mijn neus naar de oppervlakte. Ik zie het maanlicht op diens ronding. Ik glimlach.
En begin opnieuw.
— GerJan van de Kamp
Reageren gesloten voor dit artikel