Waterschade (bijdrage De Labiel)
jan 12, 20:09
Het is 30 oktober en het is laat. Niet alleen kan men al bijna spreken over de volgende ochtend vroeg, maar tevens ben ik te laat. Veel te laat. Ik ben zowel vijf minuten over tijd als enkele uren. Als je het mijn moeder vraagt, zal zij het laatste beamen. Mocht je Cynthia ooit spreken dan zal zij eerder zeggen dat het de vijf minuten waren die haar de das om deden. En wanneer je haar onder vier ogen treft, zeg haar dan dat het me spijt. Voor zover het nu nog uitmaakt.
Cynthia, zo heet mijn eerste slachtoffer. Tenminste, dat denk ik. Degene die vannacht ten prooi zal vallen aan mijn holistische onevenwichtigheid kan ook een heel andere naam dragen. Het is wel een meisje, een vrouw. Dat neem ik in ieder geval aan. Binnen nu en vijf minuten zal zij het leven laten. Met een bot mes zal ik haar huid bewerken, haar schedel openen. Of kies ik voor een zaag? Het kan echter ook zijn dat ik haar ga neerschieten, verdrinken. Haar met mijn fiets aanrijden. Van de brug duwen. Misschien zal ze niet echt vermoord worden, maar wil ik het alleen maar graag. Is iets met het heel je hart wensen echter hetzelfde als het daadwerkelijk uitvoeren?
Het regent. Van die vieze regen. Waterschade die langzaam je kleren intrekt, waardoor je reeds een half uur aan het wandelen bent alvorens te merken dat je jas enkele kilo’s zwaarder is geworden. Het water sijpelt door mijn lange, zwartgeverfde haren die nu in plukken tegen mijn gezicht plakken. Voorover gebogen en met opgezette kraag sjok ik in mijn zwarte marinejas langs de kant van de weg. Ik stop om de zoveel tijd en steek onder de overhangende bomen een sigaret op, waarvan ik dan enkele halen neem voordat deze door de miezerige regen zo ver uitzet dat het smeulende puntje eraf valt.
Luisterend naar mijn walkman wandel ik langs de verlaten weg naar huis. Mijn bandjes en oordoppen gaan overal mee naar toe. Naar school, tijdens het lopen van mijn folderwijk en dus ook naar een feest van enkele klasgenoten die ergens in een vervallen boerderij te Garmerwolde wonen. Zij leven daar met zijn vieren zonder ouderlijk toezicht, waardoor er vaak uitbundige feesten worden gegeven. Meermaals ben ik daar op een bank blijven slapen, maar mijn moeder had me voor ik de deur uitliep op het hart gedrukt toch echt op tijd thuis te komen. Niet alleen zou ze anders dodelijk ongerust zijn, maar ze had ook gedreigd met enige jaren huisarrest.
Op het moment dat ik aan mijn klim naar het viaduct begin, is het bandje dat ik beluister afgelopen. Ik graaf in mijn binnenzak en haal mijn geluidsdrager naar boven. Doordat ik me concentreer op het omdraaien van de tape zonder dat deze al te nat wordt, zie ik haar niet staan. Pas als ik met een tevreden glimlach om het slagen van de zojuist uitgevoerde actie in één van mijn andere jaszakken mijn sigaretten opduikel, kijk ik op wanneer ze even beweegt. Zij lijkt mij nog niet te hebben opgemerkt. Aan haar kant van de balustrade tuurt ze geobsedeerd naar het spiegelende wegdek onder haar. Langzaam haal ik de dopjes uit mijn oren, steek een sigaret op en kuch zachtjes. Ze kijkt verschrikt over haar schouder, lijkt mij te herkennen en verplaatst haar handen en voeten om zich naar mij toe te draaien. En op de één of andere manier zijn die verschillende acties tegelijk simpelweg onmogelijk.
Hoe ik die nacht thuis ben gekomen is mij nog steeds een raadsel. Na de gedempte plof, duw ik de dopjes weer in mijn oren en de rest van de lange weg naar huis zuig ik aan de natte, gedoofde sigaret. Pas als ik met mijn doorweekte kleren aan op de dekens van mijn smalle bed ga liggen, kan ik weer enigszins helder nadenken. Op het moment dat ik mijn ogen sluit, zie ik haar als in slowmotion weer van het hoge viaduct vallen.
Elke nacht sindsdien kijk ik hoe ze met haar linkervoet uitglijdt op de smalle rand van de brug. Ik sta wederom midden op de verlaten straat, terwijl haar verkleumde witte vingers geen grip meer krijgen op de railing. Iedere nachtmerrie zie ik mezelf net te laat naar haar toestappen en kijk hoe ze andermaal naar beneden stort. Keer op keer loop ik vervolgens struikelend weg van de rand om niet te hoeven zien hoe zij te pletter slaat op de natte snelweg.
Dat ik de volgende ochtend via de radio te horen krijg dat er een meisje van een viaduct is gevallen, maar dat zij dit op miraculeuze manier heeft overleefd, gaat er bij mij niet in. Dat het meisje – wiens naam om privacy redenen onbekend is gebleven – het wonderlijke geluk kende dat er juist een hoge vrachtwagen voorbij kwam op wiens dak zij landde, klinkt mij als veel te ver gezocht. Dat de vrachtwagenchauffeur haar had zien uitglijden en dus zeer snel naar de berm reed, waar hij haar van het dak af kon helpen om haar vervolgens bij het ziekenhuis af te leveren, klinkt als een sprookje dat van het nieuws verbannen dient te worden.
Ik blijf bij mijn versie. Zij is mijn eerste slachtoffer. Mijn eerste prooi. Of misschien hoop ik alleen maar dat ze dat kan zijn. Want als het dan toch mijn schuld moet zijn, laat het dan ook mijn keuze zijn geweest. Mijn wens, mijn eerste moord. Ik kon niet voorkomen dat zij van de burg afviel dus overtuig ik mezelf dat het mijn opzet was. En in mijn scenario leeft er niemand lang en gelukkig, zeker zij niet. Cynthia, weet dat ik van je houd: wie of waar je ook mag zijn.
— GerJan van de Kamp
Reageren gesloten voor dit artikel