Caleidoscoop: Het Begin
jan 12, 20:04
Het begint in een soort ei, dat net genoeg ruimte biedt om in een foetushouding te kunnen liggen. Met mijn handen gevouwen voor mijn borst en mijn voeten rustend tegen mijn billen luister ik naar mijn ademhaling. In en uit. Steeds in hetzelfde tempo, in en uit. Voor de rest niets. Er is niets en er gebeurt niets. Of ik mijn ogen open of dicht heb, maakt geen verschil. Ik voel dat ik met mijn ogen knipper, maar zie geen verandering. Ik heb geen besef van tijd en kan dan ook met geen mogelijkheid zeggen hoe lang ik hier al ben. Misschien een paar uren, misschien reeds dagen. Misschien al zolang ik besta, hoelang dat dan ook mag zijn.
Doordat ik me niet kan uitstrekken, krijg ik langzamerhand een steeds zeurender gevoel in mijn ledematen. Met wat onhandig gedraai en gestuntel probeer ik anders te gaan liggen. Ik kan in dit ei een klein beetje van positie veranderen, maar daarmee eindigt de bewegingsvrijheid. De krampen die door dit ruimtekort worden veroorzaakt zorgen ervoor, dat ik niet rustig kan blijven liggen en ongewild schiet mijn hand in een spasme tegen de gladde wand. Ik voel het ei trillen als ik er tegenaan kom. Zonder na te denken begin ik tegen de wand te schoppen. Eerst ongecontroleerd en lukraak, totdat ik uiteindelijk meerdere keren op dezelfde plaats trap. Het gaat moeizaam aangezien ik weinig kracht kan zetten, maar na een aantal schoppen ontstaat er een scheur. Ik concentreer me hierop en begin met beide voeten tegelijk tegen de wand rondom de ontstane opening te duwen.
Wanneer ik een stuk ter grootte van mijn hand heb kunnen verwijderen, probeer ik me zo goed en zo kwaad als het gaat bij te draaien. Ik schuif met mijn gezicht voor het gat en tuur naar buiten. Thans merk ik dat ik daadwerkelijk kan kijken, want als ik door de opening staar, zie ik dat het buiten het ei iets minder duister is dan binnen. Tot zover mijn waarneming. Het is daarbuiten dan wel lichter, maar van pikdonker naar minder donker levert niet heel veel meer zicht op. Ik ga verliggen en steek mijn hand door het gat. Niets. Ik hoopte een vloer of iets dergelijks te vinden, maar zover als ik kan reiken glijdt mijn hand slechts door het luchtledige.
Weer breng ik mijn gezicht bij de opening en duw vervolgens mijn neus door de steeds breder wordende scheur. De lucht prikkelt mijn neus. Binnen lijkt de atmosfeer van stroop te zijn, terwijl de lucht daarbuiten veel dunner, frisser en nieuwer aanvoelt. Met volle teugen zuig ik de frisheid in mijn longen. Nieuwe adem vult mijn luchtwegen en mijn hele lijf reageert: ik krijg kippenvel in mijn nek, mijn tenen tintelen en mijn voorhoofd jeukt.
Zelfs mijn gedachten lijken helderder te worden. Voor het eerst sinds mijn ontwaken kan ik gestructureerd nadenken. Tot nog toe reageerde ik slechts op wat er om me heen gebeurde. Aangezien hierbinnen geen uitdaging of verandering was, leken mijn gedachten praktisch stil te staan. Nu er zich met het breken van de wand nieuwe mogelijkheden voordoen, merk ik dat ik langzaam doelbewuster en gerichter na begin te denken. Over mijn bestaan in het ei. En zelfs over een toekomst daarbuiten.
Nog maar net heb ik ontdekt dat ik mijn verstand kan gebruiken en gelijk heb ik een dilemma. De volgende tweestrijd doet zich namelijk voor: aan de ene kant wil ik in het ei blijven. Het is hier veilig – kramp is het ergste wat mij is overkomen – en ik heb geen idee waar ik terecht ga komen als ik het ei verlaat. Aan de andere kant heb ik intussen wel genoeg van deze claustrofobische benauwdheid en hoop ik dat de ruimte buiten een grotere uitdaging zal bieden.
Ik begin me een beeld te vormen van buiten. Het wordt een utopisch begrip; alles wat zich daar bevindt lijkt mooier, voller, interessanter, schoner en liever te zijn. Maar wat als dat niet zo is? Wat als ik het ei verlaat en het is lang niet allemaal mooier, voller, interessanter, schoner en liever? Sterker nog, wat als buiten lelijker, leger, saaier, viezer en stommer blijkt te zijn? Zal ik dan nog terug kunnen? Ik vrees van niet, want het ei is blijvend beschadigd door mijn geschop tegen de wand. Door mijn vroegere acties kan ik niet meer terug naar hoe het eens is geweest. Het warme, behaaglijke ei van vroeger bestaat niet meer. Het is nu een ei met een onmogelijk te negeren opening. Ik kan niet meer terug en moet dan ook accepteren dat ik inmiddels mijn keuze heb gemaakt. Mijn dilemma is geen dilemma meer; ik zal naar buiten moeten.
Op het moment dat ik deze conclusie trek, verdwijnt het ei als vanzelf en val ik naar beneden. Mijn benen strekken zich en mijn armen slaan in het rond. Bevrijd van de kleine ruimte. Op zoek naar houvast. Ik zie mijn eigen handen grijpen naar waar het ei eens was, maar stel vast dat zij geen grip krijgen. Met ingehouden adem aanvaard ik mijn val.
Met een schok komt mijn adem terug wanneer ik met mijn achterwerk op een vloer beland. Mijn voeten, billen en handen maken contact met de grond en een lichte siddering gaat door mij heen als ik merk hoe koel deze aanvoelt. Ik schud even zachtjes mijn hoofd om de duizelingen te doen stoppen. Het was gelukkig geen verre val en behalve dat ik een beurse bilpartij heb en een grote hoeveelheid nieuwe lucht in mijn longen, ben ik ongedeerd en hetzelfde gebleven.
Hoewel, ‘hetzelfde’ is niet het goede woord. Met de bevrijding uit het ei lijk ik iets te zijn gegroeid; als ik mijn armen recht voor me uitsteek voelen mijn handen verder weg. Maar dat kan ook gewoon komen doordat ik niet meer opgevouwen lig.
Ik zit op de grond en kijk onderzoekend om me heen. Deze ruimte is veel minder duister dan ik dacht. Nu ik de omgeving langzaam op me in laat werken, lijkt het hier eerder een beetje grijzig. De kleuren herinneren mij aan de grauwe deken die tijdens zonsopkomst en zonsondergang overal overheen lijkt te liggen.
Deze laatste gedachte doet mij mijn rechterhand naar mijn kin brengen. Bedachtzaam over mijn kaaklijn wrijvend rijst mij de vraag waar deze associatie ineens vandaan komt. Toen ik in het ei was, leek het alsof ik niet kon nadenken. Het voelde alsof mijn hersenen simpelweg niet volledig functioneerden. Op het moment dat ik de frissere lucht van buiten inademde, merkte ik dat ik meer samenhangend kon redeneren: ik reflecteerde op wat ik had gedaan, vormde ideeën over wat er in de toekomst nog kon gaan gebeuren en loste zelfs dilemma’s op. De volgende stap in de evolutie van mijn brein hangt blijkbaar samen met deze laatste associatie: waarom doen de kleuren in deze ruimte mij denken aan gewaarwordingen tijdens de schemering? Zoiets heb ik heb immers nog niet meegemaakt. Of wel? Hierbij stilstaand bedenk ik mij dat alles wat ik sinds mijn ontwaken heb ervaren, beelden en ideeën oplevert die ik eigenlijk niet goed kan plaatsen. Op de één of andere manier herken ik de associaties wel, maar begrijp ik niet waar ze vandaan komen. Want hoe zou ik moeten weten dat het ding waarin ik wakker werd een ei genoemd mag worden? Waar haal ik de wijsheid vandaan dat lucht stroperig aan kan voelen? Wat is überhaupt een utopisch begrip?
Maar met het stellen van deze vragen weet ik tevens dat ik me op dit moment niet druk ga maken over de antwoorden. Alles wat ik hier namelijk ondervind is zo anders en nieuw, dat ik weinig behoefte voel om na te denken over de ideeën en herinneringen die worden opgeroepen. Ze helpen me blijkbaar om wat ik ervaar beter vorm te geven. Ik moet het misschien allemaal maar over me heen laten komen. Wellicht is er later tijd en ruimte om te bezinnen op wat dit allemaal met mij doet en heeft gedaan.
Mijn slappe beenspieren protesteren op het moment dat ik met ingehouden adem probeer op te staan. Even sta ik te wankelen, maar dan lijkt het erop dat mijn benen het gehele gewicht kunnen dragen. Ik recht mijn rug en blijf overeind staan. Opgelucht adem ik uit en bereid me voor op het vervolg. Ik til behoedzaam mijn voet op om een eerste stap te zetten. Deze gaat mij redelijk tot goed af. Ik probeer er nog een paar en ook de volgende passen leveren me geen blijvende schade op; ik kan lopen.
De nieuw verworven kunst wend ik aan om de omgeving verder te exploreren. Ik ontdek dat ik in de vierkante ruimte met zeven stappen van de ene naar de andere wand kan lopen. Als ik mijn handen tegen de muur plaats, voelt deze zacht en een beetje vochtig aan. Het lijkt alsof een soort mos alle wanden van boven tot beneden bedekt. Zelfs het plafond gaat erachter schuil. Op het moment dat ik het plafond bestudeer, zie ik tot mijn verbazing ineens het ei. Ik was ervan overtuigd dat het verdween toen ik eruit viel, maar daar het hangt: net buiten mijn bereik. Het gevaarte draait in een langzaam tempo om zijn eigen as en om de zoveel tijd zie ik het gat dat ik erin heb geschopt voorbij draaien. Terwijl ik er langer naar kijk, begrijp ik ook waarom ik niets voelde toen ik mijn hand door de opening stak: het ei zweeft in de lucht. Er is nog iets vreemds met mijn oude veilige haven aan de hand: het lijkt wel alsof de wand doorzichtig is geworden. Alsof het ei minder bestaansrecht heeft nu het niet meer wordt bewoond.
Plotseling word ik overvallen door een hevige vermoeidheid. Elke stap lijkt momenteel teveel te zijn en uitgeput ga ik in kleermakershouding op de koele grond zitten. Mijn polsen rusten op mijn knieën, mijn hoofd zakt knikkebollend op mijn borst. Nooit eerder heb ik me zo intens moe gevoeld. Nimmer ben ik dan ook zo wakker geworden.
— GerJan van de Kamp
Reageren gesloten voor dit artikel