Caleidoscoop: Proloog
jan 12, 20:03

Een klein grauwwit veertje blijft tussen mijn wijs- en middelvinger steken als ik mijn hand door mijn haar haal. Ik prik het plakkerige pluimpje vast op het oude prikbord dat aan één spijker boven mijn wegstoffende bureau hangt. Nog een paar weken en de kurkenplank zal over een vol verendek beschikken. Glimlachend loop ik door mijn kleine éénkamerwoning op de derde verdieping. Nadat ik mijn bord, waarop het genuttigde avondeten inmiddels is aangekoekt, van de bank heb verwijderd, gooi ik de kleren die ik morgen aan zal doen alvast op de versleten armleuning. Ik kijk uit over het slagveld van losse cd’s en kapotte cd-hoezen op de grond voor mijn stereo om een geschikt slaapmuziekje te kiezen. Iets zonder gitaren deze keer. Met een theemok wijn in de hand ga ik op de rand van mijn bed zitten. De mok leeg ik met één grote slok om vervolgens onder de groezelige dekens te kruipen, terwijl de wekkerradio genadeloos op 00:01 springt.

Ik zal moeten slapen, want de komende dag zal er één zijn als alle anderen. Vandaag heb ik al zo’n dag gehad en dus weet ik uit ervaring dat uitgeslapen zijn een pré is. Rusteloos staar ik naar mijn smerige plafond en wacht tot mijn ogen dichtvallen. Tevergeefs. Een zoveelste nacht op rij lig ik met mijn armen gevouwen onder mijn hoofd en probeer uit alle macht niet na te denken. Films en tv-programma’s die ik de afgelopen weken heb gezien, passeren nogmaals de revue. Rekensommetjes maak en los ik op aan de hand van de cijfers van mijn wekkerradio. Ik concentreer me op borsten, vrouwenbillen en ander natuurlijk schoon. Een beeld van een boom op een berg in de zon roep ik op, terwijl repeterende zinnetjes als ‘Ik ben me ervan bewust dat ik inadem. Ik ben me er van bewust dat ik uitadem. Ik ben…’ door mijn hoofd ratelen. Het zal niets helpen. Ook morgen ga ik geradbraakt wakker worden. Ik zal te laat opstaan, waardoor ik zonder koffie of ontbijt mijn gammele trap af zal rennen. Voor de zesde dag op rij zal ik op mijn instabiele fietsje klimmen en die paar kilometer naar de kippenvleesverwerkingsfabriek afleggen.

Tenminste, zo zou het moeten zijn. Ik kan echter nu al verklappen dat ik de komende ochtend – tegen al mijn hierboven geschetste verwachtingen in – niet op weg zal gaan om de zoveelste goedgeordende kippenpolonaise te leiden. Morgen zal een heel ander ontwaken kennen. Al is de kip als uitgangspunt wel zeer geschikt, want binnen afzienbare tijd zit ik immers in een ei. Vergist u zich echter niet, beiden hebben weinig met elkaar te maken. In de komende verhandeling zullen veel antwoorden worden gevonden, behalve dan het antwoord op die eeuwenoude kwestie welke er eerder was: mijn epos start tweemaal, zowel met de kip als met het ei. Maar nu loop ik op de zaken vooruit. Terug naar mijn dagelijkse tijdsbesteding.
In de kippenslachterij bestaat mijn taak uit ‘orderpicken’. Dat is een militaristische term voor het op volgorde leggen van voorverpakte stukjes kip. Je krijgt ’s ochtends onmogelijk vroeg een lijst in je behandschoende hand gedrukt, waarop staat in welke volgorde de verschillende producten op de rolband moeten worden geplaatst. In de hal waar ik werk zijn zeven van dergelijke horizontale roltrappen boven elkaar gemonteerd. Omdat ik zo ongeveer twee meter in de hoogte ben, krijg ik vaak één van de bovenste rolbanden toegewezen. Het is handig en arbotechnisch verantwoord om op ooghoogte te werken, alleen is het wel jammer dat de kisten met voorverpakte kippenpootjes, kippenschnitzels, kippenvleugels, kippennieren, kippensoeppakketten, kippendarmen, kippenharten, kip-barbecuepakketten, vegetarische kippetjes en kipfilets op de grond staan. Een avond in de sportschool is er niets bij.
De volgorde waarin de verschillende kipproducten op de rubberen katrollen worden gedeponeerd, luistert nauw. Als de pakketjes namelijk in de verkeerde opeenvolging bij de prijsstickerafdeling terecht komen – de volgende en tevens laatste keten in het vleesverwerkingsproces – kunnen er grootse problemen ontstaan. Welke die precies zijn, is mij tot op heden niet helemaal duidelijk, maar dat zegt de baas. Aangezien hij gaat over het antwoord op de vraag of je volgende week terug mag komen, geloof ik hem graag.
Dus kipwerpen is een secuur werkje. Als je bijvoorbeeld de productlijst hebt gekregen voor een filiaal van de grootste supermarktketen van Nederland moet je eerst de twee stuks kipfilet pakketjes op de band leggen. Daarna komt de vier stuks variant, gevolgd door de barbecuepakketten en dan de gekruide vleugeltjes. Let hierbij goed op, want er zijn twee soorten, te weten Mexicaans en Provençaals gekruid. Deze relatief korte reeks eindigt met het restvlees, wat hier netjes ‘kipmix’ heet.
Als je de lijst hebt gekregen van die grote Duitse supermarktketen – die ene waar de medewerkers vertikken de artikelen uit de dozen te verwijderen, waardoor de klant ineens veel minder hoeft te betalen – heb je het die dag vrij rustig. Duitsers malen niet om de aanblik van hun voedsel. De enige producten die je voor hen moet werpen, zijn dozen en dozen vol met kant-en-klare kippen die in hun geheel in cellofaan zijn gewikkeld. En konijnen. Hele konijnen, met alles er op, er aan en er nog in. De beestjes staren je aan met hun glazige, tegen het dunne plastieken vernis vacuüm gezogen oogjes alsof jij persoonlijk verantwoordelijk bent voor de moord op elk Stampertje. Waarom er überhaupt konijnen in een kippenslachterij worden verwerkt is mij een compleet raadsel.
Dat doe ik dus morgen – of vandaag, het ligt er maar net aan wanneer je begint te tellen. Dit werk doe ik al enkele maanden en ik hoop het nog een tijdje te blijven doen. Een voordeel van het werk is dat je veel uren kan maken en dus ook in het weekend diensten kunt draaien. Eén van de vele nadelen is dat de hoeveelheid ontvangen loon totaal niet in verhouding staat tot de gedraaide uren: het lijkt soms alsof ik van de zes dagen die ik per week werk minstens drie dagen vrijwillig ben komen opdraven.

Ik zou best iets intelligenters kunnen doen – ik heb er de papieren voor – maar iets weerhoudt mij van het zoeken naar een baan die aansluit bij de door mij afgeronde studie. Wellicht komt het omdat ik simpelweg teleurgesteld ben. Jaren heb ik besteed aan leren van en vooral over wijsgeren, die allemaal pretendeerden de antwoorden te hebben. Het is mij al die jaren echter niet duidelijk geworden wat die antwoorden nu precies zijn. Meestal begreep ik de feitelijke teksten wel, maar ik had het idee dat het de heren – want het waren toch meestal mannen van wie ik lappen geschrift door moest nemen – voornamelijk bezig waren hun eigen beweegredenen te verdedigen. Dat mag van mij best: een goed antwoord vraagt immers om een sterke onderbouwing. Maar nadat ik mijn diploma in ontvangst had genomen, verliet ik zwaar ontgoocheld en verbitterd het academiegebouw.
Het belangrijkste probleem was en is voor mij namelijk niet opgelost: Wat moet ik met al die antwoorden als ik de vragen niet weet? En als ik de goede vragen vind, hoe weet ik dan dat de antwoorden die men me heeft aangereikt, de correcte antwoorden op mijn specifieke vragen zijn? Als al die slimme mensen deze onzekerheden niet konden wegnemen, wie ben ik dan om me er nog langer mee bezig te houden?
Daarom besloot ik alle carrièreontwikkeling per direct stop te zetten. Gelijk na het in ontvangst nemen van het diploma, stapte ik naar het dichtstbijzijnde uitzendbureau waar ze mij de dag erna al aan het werk konden zetten in de kippenvleesverwerkingsbusiness.
Maandenlang geestdodend werk verrichten had moeten bijdragen aan het langzaam afstompen van de zoektocht naar de vragen en bijbehorende antwoorden. Me bezig houden met in welke volgorde Duitsers hun vlees eten, knokken met andere collega’s over wie welk “van-de-vrachtwagen-afgevallen”-kipproduct mee naar huis mag nemen en alleen maar nutteloze gesprekken voeren over woensdaggehaktdag of de voetbalwedstrijd van gisteravond hadden mijn denkprocessen moeten doen verstommen. Niets is echter minder waar.
Gehuld in dikke trui, lelijke blauwe overall, grote zwarte wollen muts en gifgroene vingertoploze handschoenen– om de één of andere reden moet orderpicken altijd in de vrieskou – loop ik mijn marathon langs de rolbanden en de wankele schappen met kipproducten, terwijl ‘Hollandse Gouwe Ouwe’ uit de boxen schallen.
En ik denk maar. Eindeloos malend, loop ik te piekeren en te prakkiseren. Ik dub en soms betrap ik mezelf op ordinair tobben. Constant spookt het namelijk door mijn hoofd: zal ik niet eerlijk moeten toegeven dat ik de vraag wat mijn vragen zijn toch graag beantwoord zie? Maar om daar antwoord op te vinden, zal ik op zoek moeten gaan. Ik wil echter niet meer zoeken: ik wil vinden.

En ik zal vinden. Zoals ik aan het begin van deze proloog al uit de doeken deed, zal ik na de ophanden zijnde onrustige nacht onverwacht anders wakker worden. Ik kan niet precies uitleggen, wat er gaat gebeuren. Neem echter van mij aan dat na vannacht de wereld er totaal anders uit zal zien. Tijdens het komende verhaal zal ik me meermaals afvragen of het allemaal eigenlijk wel plaats vindt. Het zal zo onwerkelijk lijken, en tegelijk zo verhelderend werken. Al die tijd zal er niemand bij zijn: ik vertrek alleen en kom alleen weer terug. Geen levende ziel kan mijn geschiedenis beamen. Van één ding ben ik echter zeker: ik zal weg zijn.
Ik besef dat er dingen zijn die ik niet weet. Dus begrijp ik ook, dat er nog genoeg te ontdekken valt. Dat wat ik ga vinden, had ik echter nooit van te voren kunnen bedenken. Wellicht komt dat ook omdat ik geen flauw benul heb van wat ik zoek tot ik het onder ogen zal zien. Blijkbaar zijn er nogal wat omwegen nodig om te krijgen wat ik nu reeds heb. Om te vinden wat ik al mijn hele leven bezit. Om te vragen naar de antwoorden die ik altijd bij mij gedragen heb. Wat er zal gebeuren? Waar ik heen ga? Ik kan slechts starten, daar waar het begint.

Het begint morgen.

— GerJan van de Kamp

---

Reageren gesloten voor dit artikel